donderdag 8 oktober 2020

Gestoorde moeders in de opera

 

Één van de meest bekende aria’s ter wereld is deze die de koningin van de nacht te berde brengt in ‘De Toverfluit’ van Mozart. Het is een prachtig, maar tegelijk ook zeer duister stuk. 

“Der Hölle Rache kocht in meinem Herzen!” zingt de koningin. De helse wraak kookt in mijn hart. Een gekrenkte vrouw dus. Altijd oppassen daarmee. Ze duwt dochterlief een dolk in de hand en het kind krijgt de opdracht dat ze met het steekwapen de rivaal van de koningin, Sarastro, uit de weg moet ruimen. Als ze dat niet doet, zal ons mamaatje avondstond haar onterven en vervloeken en beschouwt ze Pamina - want iedereen in zo’n opera moet blijkbaar een naam krijgen die uit willekeurige lettergrepen is samengesteld- niet langer als haar dochter. Na dat toch wel redelijk dwingend verzoek begint ze het kind nog eens in staccato uit te lachen ook. Als om te zeggen; hoe ga je dat nu klaarspelen, dom wicht?

Het moet toch wel één van de minder bekwame moeders in heel de operageschiedenis zijn, die nachtkoningin. Niet alleen zet ze haar dochter aan tot het plegen van delinquente feiten, maar heel haar moederliefde hangt ook meteen af van het feit of het meisje één of andere vent de strot wil oversnijden. Rijp voor de psychiatrie, dat mens, als je het mij vraagt. Moest de opera iets realistischer vormen aannemen zou er in de volgende scène al zingend een telefoongesprek met het vertrouwenscentrum volgen. Om dan misschien toch tot niets te komen, want moedertje nacht lijkt me niet meteen het meest meewerkende of introspectieve type te zijn. Hoe dan ook zou Pamina het hele tweede bedrijf bij de therapeut haar hechting zitten bespreken. Zichzelf blauw en arm betalend aan al die sessies waar ze niets van kan terugtrekken. Jaren gaan voorbij. Pamina op de dool. Relaties lopen stuk, geschikte hulp is niet toegankelijk, en werk vinden lukt maar niet. Ze had net een job in de horeca te pakken, maar de duts werd ocharme hysterisch toen ze de steakmessen moest afwassen. De voorstelling toont uiteindelijk een ondertussen gans berooide Pamina tijdens haar zoektocht naar een sociale woning. Liederen worden gewijd aan de wonderen van de bureaucratie, en de wachtlijsten worden in coupletten opgesomd!

Huh. Misschien staat ons systeem toch nog niet zo heel erg op punt.. 

Maar geen nood, in de officiële versie komt alles goed! Na wat afluisterpraktijken en misverstanden (het 18e eeuwse operapubliek zou zomaar even fan geweest kunnen zijn van FC De Kampioenen), één poging tot verkrachting (nog maar eens een trauma erbij voor ons Pamina’ke, gooi maar op de hoop, het kind had nog niet genoeg miserie) en heel wat omwegen, vindt de getergde dochter niet alleen de man van haar leven (de hoogst origineel genaamde Pamino), maar valt die tang van een moeder ook nog eens pardoes in een kloof, om nadien nooit meer gehoord of te gezien te worden. Toch schoon é, als alles zo op zijn pootjes terecht komt. 

Over familie gesproken; Mozart schreef dit stuk met zijn schoonzus in gedachte. De vrouw was gekend voor haar vlekkeloze hoge register en dus schreef Amadeus een stuk dat volledig op haar maat gesneden was. Waar de nachtkoningin niet zo zorgend omging met haar verwanten, kunnen we Mozart dus zelfs een beetje uitsloverij verwijten wat betreft het goed willen staan bij zijn aangetrouwde kant. Of toch. Kwatongen beweren soms dat hij het stuk extra moeilijk maakte om die schoonzus stiekem een klootje af te trekken. Al denk ik zelf niet dat het wonderkind zo'n schobbejak was. Op zijn sterfbed legde hij iedereen zelfs nog het zwijgen op toen hij deze aria hoorde beginnen, zo mooi vond hij hem.    

Mozart is lang niet de enige die, toch wel een beetje vol van zichzelf, deze aria geweldig vond. Door de jaren heen werd het stuk over de hele wereld bekend en geliefd. Het werd zelfs zo belangrijk geacht dat het als een uithangbord voor de menselijke cultuur mee de ruimte in werd gestuurd met Voyagers 1 en 2. Wanneer die ruimtetuigen ooit onderschept worden door intelligent leven uit het heelal, krijgen die mannen dus onder andere dit te horen. Ze zullen ongetwijfeld onder de indruk zijn van de muzische kunsten die de homo sapiens heeft voortgebracht. Wat ze na hun luistersessie zullen denken over de pedagogische kwaliteiten van de aardbewoners, valt echter nog af te wachten.

dinsdag 6 oktober 2020

De man en zijn boom


Menig muziekstukken probeerden, slechts weinigen zijn er ooit in geslaagd tranen in de ogen van uw dienaar te laten ontluiken. Eén van die stukken; Ombra Mai Fu van George Friedrich Handel, of gewoon Handel voor de vrienden. Erkentelijk voor deze wereldprestatie pen ik er dan ook graag enkele regels over neer. 

Het is een beetje een vreemd stukje. Het gaat over een man die aan een boom vertelt dat hij diens schaduw wel appreciëren kan, en blijkbaar komen daar dan massa’s emoties uit voort. Ik moet schoorvoetend toegeven dat er al over diepgaander en ingrijpender gebeurtenissen muziekjes zijn gecomponeerd. Maar nee. Een man, een boom, wat o zo schone lommer. Drama tot gevolg. Alsof onze pépé in de hof tegen de selder de longen uit zijn lijf zou staan kelen over hoe lekker de soep wel niet was. Klassiek is altijd zo lekker diepgaand nietwaar?

Maar mooi is het wel. 

Hier wordt het vertolkt door de -als we zijn ongetwijfeld iets te flatterende kostuum mogen geloven- zeer breedgeschouderde Duitser Andreas Scholl. Andreas is er me wel eentje. Behalve dat hij eruit ziet als een soort van Pruisische Clark Kent, klinkt zijn stem ook wel super mann. Nu ja. Het is natuurlijk niet meteen het timbre dat je zou verwachten wanneer het heerschap de keel openzet. Je zou haast denken dat Lex Luthor enkele startkabels op mans’ meest gevoelige plaatsjes heeft geklemd. Andreas is een contratenor. Een man die een register aankan dat gelijkstaat aan dat van een vrouwelijke alt. Betrekkelijk hoge nootjes dus. Vroeger werd het stuk dan ook opgevoerd door een 'Soprano castrato’. Ik bespaar u een meer plastisch verslag van hoe men aan zo’n zangertje kwam, maar kan verklappen dat er een heel scherpe schaar aan te pas kon komen. 

De man in het stuk is trouwens Xerxes, koning der Perzen. Die mannen waren weliswaar wrede krijgers, maar misten dus blijkbaar toch allemaal wat baard in de keel. Handel zou trouwens nooit weten dat deze drie minuten durende treehug nog één van zijn populairste stukken zou worden. De opera waarvan het stuk deel uitmaakte was een oorverdovende flop. Afgevoerd na ochot ochere vijf voorstellingen. Poor George. In 1738 was de LGBTQ-beweging natuurlijk nog niet echt zo relevant als vandaag. Dat het publiek toen nog niet klaar was voor de al dan niet platonische liefde tussen de man en diens boom, was dan ook wat te voorspellen. Wellicht wist het operagezelschap dat destijds ook al op voorhand, maar toen George Friedrich zijn idee pitchte, had wellicht niemand de ballen om hem daarop attent te maken.

Niet de ballen. Heb je'm?